Welkom op site Dichtenmaar.nl. Binnenkort weer online!

De verjaardag

Een telg, vol jonge vrucht, bood Edelard
Zijn schaduw. t Hofvertrek hield achter hem,
Met dubble deur en nederhangend doek,
Liet licht nog buiten; dat geen middaggloed
De zeekaart trof, die, aan den effen wand,
Veelverwig pronkte: Wilhelmines zorg !
Haars Vaders oogenlust. De Grijzaard had
Met eigen hand de baan daarop gestipt,
Die vaak zijn Houtschip hield. Een zilvren punt
Begon en sloot de lijn. t Penseel had ook,
Naast leerrijk schrift, elk open ruim vervuld:
Het perk der golven lag wijd uitgebreid,
Voor Nerlands Wapendaden. Zegerijk
Heesch Tromp zijn wimpel op, in Duins. Het bloed
Des achtsten Evertsens ook t uwe vloot,
Gij Held der Maas. in gruwzaam schutgevaart!
Zoo sprak het Diep van Ons. Des Vreemdlings was
Het Droog. Waar lucht en grond Keerwer gebin,
Stond heel het Noorden om een klip geschaard:
Mensch, dier en plant. Daar wees de vinger heen,
Bij t reisverhaal; wanneer de Dorpsbailluw,
Met Schout en Doctor, onzen Edelard
Het lengend uur des avends korten hielp.
Nu zat hij peinzend, aan den appelboom,
Dien eens zijn Martha plantte. t Boonenbed
Zond hem zijn geuren uit de verte toe,
Wedijvrig met de rozen; zeisenklank
Liep vrolijk in het naaste hooiveld om;
En op den voetweg ging de schel des rams,
Aan t hoofd zijns harems stappend; wijd vermaard,
Door Spaanschen afkomst, en beproefden moed.
En droomen van t verleedne zweefden hem
In scheemring voor den geest: zijn blijde jeugd,
Zoo snel gewelkt! zijn jonglingschap, al ras,
Bij harde tucht, gerijpt tot manlijkheid.
t Gevaar van storm, en rots, en klemmend ijs,
Door wondren op zijn kiel gestuit. De dag,
Die hem met Martha paarde. t Loonend zoet,
Na zoo veel bitters, aan die hand gesmaakt,
Die op zijn levensweg geen distels liet.
t Vaarwel, hier toegeroepen, aan t gewoel
Der steden, als het eerste jaar den hof
Zijn tooi had afgeborgd, en weergebragt,
En steeds Tevredenheid hun slaaplied zong.
Maar ook de smart der scheiding: als zij nu,
Die hem reeds engel scheen, een engel werd!
Het bange zwijgen om de legerstee,
Waarop haar doodskamp eindde; t kindsch gevlei,
Dat hem uit wanhoops mijmren wakker riep.
De naam van vader, die zijn morrend hart
Weer danken leerde. Ja! U dankt mijn ziel!
Verzucht de grijzaard, onbewust, dat hij
De handen samenvouwt ,U dank ik, God!
Gelijk uw zon, daagt ook de blijdschap wer,
Na t ondergaan; en, in den holsten nacht,
Straalt toch de Maan der Hoop den stervling toe.
Zoo fluistert hij; en glans van hemelvre
Ligt op zijn aangezigt, terwijl hij rijst;
indachtig aan zijn huiswet, en aan t uur,
Dat hem ter tafel noodt. Doch eensklaps. zie,
De deur naar buiten springt, aan t hofvertrek
Luidkrakcnd open. t Neergelaten web
Stijgt teffens langs de breede ramen op;
En van den drempel komt de Dorpsbailluw,
In statig ambtsgewaad hem tegentreen:
Het feestlijk maal wordt koud! Zoo vangt hij aan
En Schout en Doctor; deze, voorgelicht
Door zijn ervaren Huisbezorgster; die,
Door t jeugdigst Moedertjen uit onze buurt;
Zien, wachtend reeds de beste stukken uit.
Verlies geen tijd !
Bevreemd ging Edelard Den spotter na, en staarde t vijftal rond,
Met vragende oogen; tot het hoofdgeregt
Zijne aandacht trof: een baksel, uit de bloem
Van tarw, door Wilhelmines hand gevormd!
De ronde boord omgaf het kroonswijs; vlak
Was t middelperk, dat s Grijzaards jarental
En naam vermeldde. Lagchend riep hij toen:
Wee ieder, die op Evas dogtren bouwt !
Der vroomsten zelfs kleeft wat bedrieglijks aan!
Neem dit tot troost, Bailluw, wanneer u t kruis
Der huisbestiering drukt; of t eenzaam dons
Vaak al te koud schijnt, om driekoningen.
k Roep heden ochtend, uit mijn schrijfcel: Kind!
Is t niet de zesde? t Moet de vijfde zijn !
Kucht Wilhelmine; mijn geboortedag
Met snel bezin verloochnend. Niet genoeg!
Zij troont mij; om haar gasten en haar taart
Hier heen te sluiken; naar mijn appelboom.
Een bloemstruik, dien haar Volkert schonk (zoo k meen.
Nahusia gedoopt) was juist ter hand,
Tot lokaas! Maar, onze Ondeugd faalt hier nog?
Zij komt ! Zij kwam; heurs Volkerts gezellin;
En dartle vreugd gaf nieuwe tooverkracht
Aan haar bevalligheid. Doch, als de Maagd
Den Grijzaard nader trad; zijn zeegnend oog
Het toeven van zijne open armen zag;
Zoo wischte de ernst een korte poos den gloed
Van beide wangen weg; haar mond vergat
Zijn voorbereiden heilwensch; zwijgend zonk
Zij aan haars vaders borst, en hooger taal
Sprak daar haar zielsgebed door tranen uit.
Hoe waardig was zij, dat, op s levensbaan,
Die Jongling eens haar leidsman wierd, die nu,
Bij t kussen van haar hand, het natbeschreid
Gelaat van zijn vriendin verborg ! Op Hem
Als vlekloos voorbeeld, wezen vaders hun
Gestruikeld kroost. Van Volkert tuigden zij,
Wier grijze ervarenis hem t heiligdom
Van wetenschap en wijsheid opensloot.
Ach! al te vroeg stond hij, van schuts beroofd,
Aan t ouderlijke graf! Zijn erfdeel, straks
Met valsche list hebzuchtig aangerand,
Werd Themis gouden zorg vertrouwd, en bleef
Als kampprijs hangen voor den regterstoel.
Maar de eedle Wees, door t lot beproefd; vergeefs
Naar t opgaan hakend van zijn bruiloftsdag,
Zoolang hij niet aan eigen haardstee zat;
Verborg zijn smarten, en vergat ze hier;
Geen vreugdestoorder, in den trouwen kring.
Thans sloot de meikers, bij t gevorderd maal,
Met de aardbes en den tros van struik geplukt,
Een cirkel om t bespaarde hoofdgeregt.
Het Jonge Vrouwtjen had (bij t warm gesprek
Der mannen, over krijg en peis) verteld:
Hoe reeds haar zuigeling op moeders stem
Opmerkzaam was, en lagvhend, uit de wieg,
Zijns vaders beeldtenis had aangestaard.
Huishoudelijk bragt haar Vriendin daarna
Het tuingewas ter baan; zijn frisschen groei,
Na t milde dropplen van een enklen nacht,
Tevrede schildrend. Wilhelmine vlocht
Op t laatst de bloemen in t gesprek, en kwam
Tot heur Nahusia, wanneer onze Arts
Haar plotslijk stoorde! ,Regts gezien, lief Kind !
Het geldt uw handenwerk, dat smakelijk
Zijn binnenst door getrokken letters toont!
Doch eer t vernielend mes dit kunstgewrocht
Waagt aan te tasten, zij mijn arm gestrekt!
Of leeft het schoone glas niet meer, verguld
Aan voet en deksel? En de Bremerwijn?
Is die, te kwistig. ook op minder feest
Verbruikt? Hij sprak nog, toen bokaal en wijn,
Den wakkren Schout, als ganimeed, gereikt,
Zijn woord reeds volgden; en nu klonk weldra
Het luide vivat, na een gullen wensch,
Den Grijzaard toegebragt. Maar als het glas,
Bij t omgaan. den Bailluw werd aangebon,
Begon hij dus: Mijn Vrienden, naar de maat
Van deze teug, en van al t goede. dat
Op mijn gebed dit huis vervull, dient meer
Gesproken dan mijn schorgehoeste keel
Verdragen zou. Ik bie den Gastheer dies
Voor WOORDEN SCHRIFT aan. Hier ontvouwde hij
t Gestempeld blad, dat hem, een wijl gelen,
Zijn dienaar bragt. De Grijzaard nam, en las:
En zag, met schittrende oogen, nu zijn Vriend,
Dan Wilhelmine, dan weer Volkert aan.
In t einde sprak hij dezen toe: Geluk,
Gij brave Telg eens Vaders, die veelligt
Nu zeegnend uit den hoogen op ons ziet!
Verscheurd is t weefsel van bedrog; ontmomd
De snoode hebzucht: door zich zelv verran,
Erkende zij haar wanbedrijf, uw regt!
Het lange Pleit heeft uit! geluk, mijn Zoon !
Aanvaard met dankbaarheid uw oudererf;
En klaag niet, dat de dag zoo spa verschijnt !
Een Wijze Hand heeft, in beproevings perk,
Uw jeugd gevormd. Met zorg en leed bekend,
Zoo naauw! zoo vroeg! zal u eens broeders ramp
Steeds heilig zijn. En, Wilhelmine, gij!
Nu deelgenoote van zijn vreugd, als eens
Van zijn bekommernis; wat toeft mijn mond
Het woord te spreken! k zag dit uur vooruit!
Der waereld hoort gij toe, niet mij alleen.
Uw taak reikt verder, dan de kleine kring
Van t ouderlijke dak. Zou eigenbaat
Mijn hart verkoelen, dat ik treurig zweeg,
Daar, aan den scheiweg, u een ruim verschiet
Blij tegenlacht? Gij zijt mij dierbaar, Kind!
Mijne eenige! Mijn alles, sinds de dag
Dier Brave kwam, wier levend beeld gij zijt!
Uw stem was mij de werklank van dien toon,
Die eens elk oproer in mijn borst bedwong.
En nu! Doch gaat, mijn Kindren! k wil van ver
Mij zonnen, in de stralen van uw heil!
Verheugnis, boven al t gesmaakte goed,
Zal nog uw liefde voor mijn grijsheid zijn!
Zoo hoor de Algoedheid, wat een vader smeekt!
Zij geve u, wat de trouwste Ga, voor mij,
Ten hoogen afbad; meerder schenk zij u,
Dan ons gewerd: vereenden ouderdom!
En slaat gij, moegeleefd, het wenschend oog
Daarhenen, waar de Hoop aanschouwen zal,
Zij spare u t best geschenk: in d eigen stond
Haar oproep! Hier, van beider arm omkneld,
Gedankt door beider staamlen, brak hij af;
En Gods nabijheid drong door aller ziel.
Date Created: 07-06-2016